Bezinning bij de 13° zondag door het jaar – Zr. Nina Vandamme, SNDdeN

Jun 26, 2024 | Gospel Reflections

30 juni 2024

Marcus 5: 21 – 43

Er komen verschillende personages tevoorschijn in dit stukje evangelie.  Het hoofdpersonage is ‘Jezus’ en daarnaast enkele individuen:  Jaïrus en zijn dochterje, een vrouw, leerlingen van Jezus.  Nadat Jezus met de boot vertrokken was naar de overkant van het meer heeft zich een massa verzameld.  Jaïrus verlangt “leven” voor zijn dochter en gelooft dat een handoplegging van Jezus bij haar genezing kan schenken.  Vanuit haar geloof en gedrevenheid om door Jezus geholpen te worden, verlangt de  vrouw naar een ontmoeting met Jezus.   Ze hebben beiden hulp nodig in hun zo precaire situatie en zijn overtuigd dat Jezus hen hierbij kan helpen.  Hun geloof in Jezus uit zich in hun verlangen naar heling.  Beiden uiten ze hun ontzag t.o.v. Jezus in een gebaar waarbij ze op de knieën vallen.  Een erg ongewoon gebaar in onze hedendaagse cultuur dat de waarde ervan bijna niet meer kent.  Ze zijn bij het gebeuren betrokken met lijf en leden.  Het is geen gebaar van onderdanigheid of vernedering , neen.  Dit gebaar heeft een heel ander gehalte.  Het is een ontzaglijke eerbied en een uiting van geloof in Jezus die hierin tot uitdrukking komen, samen met hun intens verlangen om hulp.  Ze schreeuwen hun onvermogen uit om de situatie te keren, ook al zijn er zoveel mensen om hen heen.  De omgeving of de massa die hier verschijnt voelt zich eerder geërgerd en staat afwijzend t.o.v. de situatie en lijkt eerder te willen dat Jezus zich afhoudt van de noodkreet van deze twee personages.  Ze beschouwen hen als rustverstoorders.  Dit hoor je via de uitspraken:  ‘U ziet dat de menigte zich om U verdringt en dan vraagt U:   “Wie heeft mij aangeraakt?”’ en in het andere geval:  “Uw dochter is gestorven … waarom valt u de Meester nog lastig?”  Jezus laat zich hierdoor niet intimideren.  Hij weet dat de massa het geloof van deze twee niet ondersteunt.  Hij laat de weerstand van de massa achter zich.  Bij het dochtertje van Jaïrus hebben de omstaanders alle hoop opgegeven en onthalen ze Jezus zelfs met hoongelach als Hij zegt dat het kind niet dood is, maar slaapt.

Het is treffend dat de “aanraking” zo’n rol speelt in dit gebeuren.  De vrouw neemt zelf initiatief gedreven vanuit haar geloof.  Bij het dochtertje van JaÏrus is het Jezus die  initiatief neemt.  Hij neemt enkel de ouders van het kind en zijn leerlingen mee naar binnen alsof Hij zich wil verzekeren van een gelovige omgeving.  Hij reikt de hand aan het meisje om haar te doen opstaan.  In het eerste geval prijst Jezus het geloof van de vrouw:  “Je geloof heeft je gered, ga in vrede”!  Haar heling schenkt haar bevrijding én vreugde.  In het tweede geval nodigt Jezus de omstaanders uit:  “Wees niet bang, maar blijf geloven”.  In de twee situaties  draait het hier om geloof uitgedrukt in woord en gebaar.  Geloof ontlokt bij Jezus zijn goddelijke kracht die onstuitbaar doorbreekt naar de noodlijdenden en hen tegelijkertijd diepe vreugde brengt.
Na het hoongelach en de genezing van het kind staan de omstaanders met stomheid geslagen …  het kind danst van vreugde.  Jezus probeert betrokkenen de realiteit nuchter onder ogen te doen zien.  Hij maant de omstaanders aan zorg op te nemen voor het kind door haar iets te eten te geven.

Doordenkertjes:
De aanraking gebeurt hier in een context van geloof.  Wat zijn mijn ervaringen met aangeraakt worden en het aanraken van de andere?  Wat is de kracht van de aanraking?  Speelt geloof een rol?

Ben of voel ik me gestoord als in een massa iemand optreedt die als mens, tijd en aandacht vraagt, verdraag ik dat een gebeuren een totaal andere wending kan krijgen?

Ondersteun ik het geloof van een ander … of heul ik mee met de massa?

 

Marcus 5: 21 – 43

When Jesus had crossed again in the boat to the other side, a large crowd gathered around him, and he stayed close to the sea. One of the synagogue officials, named Jairus, came forward. Seeing him he fell at his feet and pleaded earnestly with him, saying, “My daughter is at the point of death. Please, come lay your hands on her that she may get well and live.” He went off with him, and a large crowd followed him and pressed upon hiThere was a woman afflicted with hemorrhages for twelve years. She had suffered greatly at the hands of many doctors and had spent all that she had. Yet she was not helped but only grew worse. She had heard about Jesus and came up behind him in the crowd and touched his cloak. She said, “If I but touch his clothes, I shall be cured.” Immediately her flow of blood dried up. She felt in her body that she was healed of her affliction. Jesus, aware at once that power had gone out from him, turned around in the crowd and asked, “Who has touched my clothes?” But his disciples said to Jesus, “You see how the crowd is pressing upon you, and yet you ask, ‘Who touched me?'” And he looked around to see who had done it. The woman, realizing what had happened to her, approached in fear and trembling. She fell down before Jesus and told him the whole truth. He said to her, “Daughter, your faith has saved you. Go in peace and be cured of your affliction.”

While he was still speaking, people from the synagogue official’s house arrived and said, “Your daughter has died; why trouble the teacher any longer?” Disregarding the message that was reported, Jesus said to the synagogue official, “Do not be afraid; just have faith.”, He did not allow anyone to accompany him inside except Peter, James, and John, the brother of James. When they arrived at the house of the synagogue official, he caught sight of a commotion, people weeping and wailing loudly. So he went in and said to them, “Why this commotion and weeping? The child is not dead but asleep.” And they ridiculed him. Then he put them all out. He took along the child’s father and mother and those who were with him and entered the room where the child was. He took the child by the hand and said to her, “Talitha koum,” which means, “Little girl, I say to you, arise!” The girl, a child of twelve, arose immediately and walked around. At that they were utterly astounded. He gave strict orders that no one should know this and said that she should be given something to eat.

The Gospel of the Lord

 

 

Meet Sister Nina Vandamme, SNDdeN

Nina Vandamme was born in Antwerp in Belgium: she entered the Sisters of Notre Dame at the 8th of September 1967. Before entering the Sisters of Notre Dame, she taught for 3 years at the first year of a primary school in Antwerp. After her novitiate, she taught for 9 years at the SND primary school in Berchem again in the first year and worked for another 9 years as a remedial teacher for children with learning difficulties in the same school. After that she was missioned as a principal to the primary school and kindergarten of Antwerp for 13 years. Sr. Nina is very grateful for what she has been able to learn from children. She says: “They have been my teachers. I sometimes wonder who was teaching whom: did I teach them or did they teach me?” She responds: “The answer is probably: ‘a bit of both’, but at all events I owe them a great debt–especially, those who challenged me to keep searching until I found what they needed and refused to let me give up.”